Barbara Kruijsen: Valkhof Museum

Door Cara Peters en Louis van den Langenberg

Time to read:

8–13 minuten

Barbara Kruijsen is historica en kunsthistorica. Ze promoveerde aan de Radboud Universiteit op het verzamelen van middeleeuwse kunst in de negentiende eeuw. Ze werkte bij verschillende musea en is momenteel hoofd Collectie en onderzoek bij het Valkhof Museum.

Je hebt hier in Nijmegen gestudeerd en werkt nu in het Valkhof Museum. Zijn er dingen uit je opleiding geschiedenis die je nu nog steeds toepast in je werk?

Ik had eigenlijk op de middelbare school al bedacht: ik wil heel graag in een museum werken. Dat was echt mijn droombaan. Ik had zelfs ook al voor ogen in welk museum, want ik was op mijn vijftiende naar een tentoonstelling geweest die ik supermooi vond. Daarna dacht ik bij mezelf, ik wil in het Noordbrabants Museum in Den Bosch werken. Ik ben geschiedenis gaan studeren, want dan heb je een hele fijne, brede opleiding. Later sprak ik iemand die in een museum werkte en zij was ook historica. Zij zei: ‘Ik word niet serieus genomen, omdat ik geen kunstgeschiedenis heb gedaan.’ Toen ben ik kunstgeschiedenis erbij gaan doen. Het belangrijkste wat ik bij de studie geschiedenis heb geleerd – en wat ik nog steeds heel veel gebruik – is om compact te schrijven. Niet zozeer feiten en kennis, maar meer: hoe haal je uit heel veel bronnen precies dat wat je nodig hebt voor het doel waar je mee bezig bent? Dus geen omgevallen boekenkast zijn, maar echt nadenken over wat ik wil vertellen, voor wie en op welke manier. Dat is iets wat ik hier nog bijna dagelijks gebruik. We schrijven natuurlijk nog steeds veel teksten, voor op de website, in tentoonstellingen en in catalogi. Maar dat zijn allemaal verschillende soorten teksten. Je moet constant in je achterhoofd houden wie je doelpubliek is. Hoe leest iemand dit? Staat iemand in een tentoonstelling of zit diegene achter een computer of op een fijne stoel een catalogus te lezen?

Was de opleiding Geschiedenis destijds heel erg gericht op de publiekskant van het vak?

Ik weet eigenlijk niet eens zo zeer of dat de bedoeling was van docenten, maar dat was wel zoals ik het heb opgepakt. Ik heb uiteindelijk ook promotieonderzoek gedaan, ook hier aan de universiteit in Nijmegen. Daarbij heb je natuurlijk te maken met ontzettend veel informatie, en ja – dan schrijf je een boek. Dat is best veel tekst, maar ook dan kies je wat je wel en wat je niet vertelt. In het museum is dat niet anders, al is het strikter. We zijn natuurlijk volop aan het verbouwen in het museum en we richten het helemaal opnieuw in. We beheren ongeveer 95.000 objecten en we maken opnieuw keuzes, wat laten we zien? Een deel van die objecten blijft hetzelfde als voorheen, omdat het nu eenmaal topstukken zijn, maar we vertellen er vaak nieuwe verhalen bij. Waar we nu onder meer mee bezig zijn, is het schrijven van de teksten. Ik ben hoofd van de afdeling Collectie & onderzoek en heb drie conservatoren onder me, één archeoloog en twee kunsthistorici – en zij schrijven de teksten bij de objecten. We doen dat samen met een redacteur en laten de teksten lezen door focusgroepen (studenten bijvoorbeeld, maar ook mensen met een migratie-achtergrond, queers en scholieren). We maken een nieuwe collectiepresentatie, over ‘mensen op de grens’, van de prehistorie tot nu. Elk object dat we laten zien, vertelt iets over die mensen op de grens. De teksten die we daarbij schrijven moeten ook echt daarover gaan, dus niet vier dingen tegelijk willen vertellen. Je moet steeds goed kiezen, vanuit alle kennis die je hebt, wat is nu het meest relevant? Daarnaast moet je ook ontzettend goed oppassen dat je de bezoeker niet zó overvalt met alle kennis, dat ze naar buiten komen en denken, wat heb ik eigenlijk gezien? Uit de grote verzameling hebben we vijftien objecten geselecteerd die we gidsobjecten noemen. Het idee is dat je, door alleen die vijftien objecten rustig te bekijken – met extra uitleg via een digitaal tijdschrift – aan het eind van de route iets begrijpt over ‘mensen op de grens’ en wat we daarmee bedoelen. Op die manier bouwen we de informatieoverdracht in allerlei lagen op. 

Werkt het Valkhof veel samen met andere onderzoekers of musea?

Ja. Voor archeologie hebben we een onderzoeksfunctie en een speciale positie tussen de archeologische musea, omdat we een van de grootste en mooiste Romeinse collecties hebben in de lokale en regionale archeologie. Die collectie bevindt zich vooral in Museum Kam. Een deel van de collectie is al vanaf de zestiende eeuw door de gemeente Nijmegen verzameld. Een ander deel is bij elkaar gebracht door Gerard Kam, die zijn collectie en het museum dat hij daarvoor liet bouwen, in 1922 aan de Staat der Nederlanden schonk. Een derde deel is eigendom van de provincie Gelderland. Bijzonder is dat het museum van de provincie ook de opdracht heeft te zorgen voor het provinciaal depot van bodemvondsten. Alle objecten die bij officiele archeologische opgravingen in Gelderland worden gevonden, zijn eigendom van de provincie – en wij zorgen voor die verzameling. Dat is een hele rijke schat, met inmiddels meer dan 6 miljoen vondsten.

In Museum Kam hebben we nu een onderzoekscentrum voor archeologie in Gelderland gevestigd. Daar kunnen archeologen, beleidsmakers, studenten en ook liefhebbers van archeologie onderzoek komen doen naar het bodemarchief. Voor tentoonstellingen doen we ook zelf onderzoek, maar meestal doen we dat samen met anderen, vaak met de Nijmeegse universiteit, maar ook met andere onderzoeksinstituten in binnen- en buitenland. Zij doen dan onderzoek en wij maken de vertaalslag naar het publiek.

Naast archeologie hebben we in de museumcollectie nog twee andere kernen: oude kunst en cultuurgeschiedenis, wat eigenlijk de oude collectie van de stad Nijmegen is en dus lokaal. Daarnaast is er modern en hedendaags, dat juist weer heel internationaal is. Bij moderne en hedendaagse kunst richten we ons op kunstenaars die ‘de grens’ centraal stellen – voor ons een belangrijk thema – en op kunstenaars die als een archeoloog te werk gaan, dus eigen onderzoek doen en steeds meer lagen in hun werk aanbrengen. Dat zijn de twee belangrijke lijnen in het collectiebeleid. 

Je hebt al een beetje vertelt over je functie als hoofd Collectie & onderzoek. Zou je nog wat meer kunnen toelichten wat jouw werkzaamheden zijn?

In het museum zijn drie domeinen: Collectie & onderzoek, Publiek en Bedrijfsvoering. Publiek gaat, de naam zegt het natuurlijk al, over al het contact dat we met onze bezoekers hebben: van educatie tot communicatie, van publieksprogramma tot identiteit van het museum. ‘Bedrijfsvoering’ is de facilitaire kant, waar de financiën en boekingen onder vallen. We werken vooral veel samen. Een tentoonstelling heeft natuurlijk een inhoudelijk kant, maar we doen het voor het publiek, en het kan alleen maar als de technische dienst, de balie, administratie en alle andere mensen achter de schermen samenwerken.

Bij Collectie & onderzoek werken naast de conservatoren (die tentoonstellingen maken en werken aan de versterking van de collectie) ook registratoren, die ervoor zorgen dat de collectie goed geregistreerd is – wat echt heel veel werk is om dat echt goed en zorgvuldig te doen. We hebben ook een restaurator – die zich bezighoudt met het restaureren en conserveren van objecten – en behoudsmedewerkers, die in depot werken maar ook een heel belangrijke rol hebben bij het inrichten van tentoonstellingen. Het bruikleenverkeer hoort ook bij Collectie & onderzoek: we lenen zelf veel objecten als we een tentoonstelling maken (met name nationaal, maar ook internationaal) en we lenen ook veel objecten uit aan anderen.

Je had het al even over de verbouwing. Gaat het daarbij vooral om de nieuwe manier waarop het museum wordt ingericht, of speelt de duurzaamheid van het gebouw bijvoorbeeld ook een rol?

Het gebouw is van de gemeente Nijmegen, dus die neemt alle zaken rondom duurzaamheid van het gebouw voor haar rekening. Maar bij het maken van tentoonstellingen houden wij – en niet alleen wij, maar veel meer musea – steeds meer rekening met het hergebruik van materialen. Ook kiezen we bewust voor duurzamer transport en laten we niet zomaar alles uit het buitenland komen.

De situatie in Museum Kam is vergelijkbaar, als in dat het pand van de provincie Gelderland is, die veel heeft geïnvesteerd in toegankelijkheid en duurzaamheid.

Na de opening van het museum, in de zomer van 2026, vertellen we op de benedenverdieping in een chronologische presentatie het verhaal van de mens op de grens. Boven blijven we wisseltentoonstellingen maken. En daar komt ook een deel van de collectiepresentatie waarvoor we vijf hedendaagse kunstenaars hebben gevraagd een zaal in te richten rond een emotie en daarin onze collectie te vermengen met hun eigen werk. Dat worden heel indrukwekkende associatieve ruimtes.

Van 18 mei tot 31 augustus is de tentoonstelling Bittere Oogst bij jullie te zien. Deze is gebaseerd op het diorama van koffieplantage Kerkshoven in Suriname. Hoe is deze tentoonstelling tot standgekomen?

In 1914 is een negentiende-eeuws diorama van een koffieplantage aan de gemeente Nijmegen geschonken, door de zoon van de laatste eigenaar van de plantage. Dit diorama stond lange tijd in depot, omdat het niet goed paste bij de verhalen die in het museum werden verteld. De afgelopen jaren zijn we in contact gekomen met nazaten van tot slaaf gemaakten van deze pantages. Een van hen heeft inmiddels met haar man een klein museum gesticht op plantage Bakkie, niet ver van Kerkshoven. Met hen samen en in samenwerking met het Nationaal Archief in Suriname en de Raboud Univeriteit, hebben we een groot project opgezet waarvan deze tentoonstelling het sluitstuk is. Eerder al is het diorama gerestaureerd, was er een tentoonstelling in het archief in Paramaribo en is het museum in Bakkie heropend met een replica van het diorama.

Er bestaat ook een landelijk project: Draden van ons Slavernijverleden. Per provincie wordt een groot wandkleed gemaakt, ontworpen door een hedendaagse kunstenaar en gebaseerd op de verhalen over slavernij. Wij werken daar ook aan mee, dus dat is ook echt een manier om met het publiek in contact te komen en dat gesprek aan te gaan. Wij zien het ook als manier om de actualiteit in het museum binnen te halen. Veel meer dan vroeger is dat wel iets wat we willen. Ons museum gaat niet over toen maar eigenlijk over nu, over hoe wij kijken naar het verleden. Wat dat voor ons nog zegt, hoe het ons ook kan helpen over grenzen heen te kijken, verder dan je neus lang is. Dat is het idee.

Hoe zit u de rol van musea in de samenleving, met licht op de bezuinigingen op cultuur?

Ik zie het als twee verschillende vragen. Ik denk dat het heel belangrijk is dat musea een stap naar voren doen, dat zijn we ook aan het doen. Dus niet alleen maar naar het verleden kijken en in een soort afgesloten wereld iets laten zien van wat vroeger was, maar juist veel meer het belang van geschiedenis voor nu en voor de toekomst laten zien. Ik vind echt dat musea een maatschappelijk doel dienen. Soms ook om mensen wakker te schudden en te laten zien dat dingen zich soms herhalen, maar ook dat er meer dan één waarheid is. Dat is ook een van de dingen die ik heel erg van geschiedenis heb geleerd.

Over de bezuinigingen? Ja, dat is wel kwetsbaar. Onze collectie is niet van ons. De collectie is van de gemeente of het rijk of de provincie.  Wij zijn in die zin hoeder van een algemeen belang. Als daarop bezuinigd wordt betekent dat dat we voor tentoonstellingen – dat is dé manier waarop we communiceren met het publiek – andere manieren moeten bedenken om er geld voor te krijgen.

Privaat geld zal ook in Nederland een steeds grotere rol gaan spelen in het voortbestaan van musea. Dat is niet per se slecht, maar het is ook een reden om maatschappelijk relevant te zijn.  Als wij goed laten zien waarom we er zijn en dat het ertoe doet dat mensen naar een museum kunnen, dan wordt het ook voor overheden veel logischer in musea te blijven investeren.

Ontdek meer van Ex Tempore

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder