Ex Tempore jaargang 45 (2026) afl. 2
Inhoud
- Adrian van der Velde, ‘Moving through the Night: The Dutch Caribbean in the Early Modern Era’, 6-17.
- Kurt Vanhoutte & Anouk van Rossum, ‘Een kleine geschiedenis van de magische lantaarn’, 18-35.
- Adriaan Duiveman, ‘Adieu wijsheid, tot morgen. Carnavaleske omkering in drinkliederen’, 36-54. Beschikbaar 30 september
- Tim Pijpers, ‘De priester en het spinrok. Kritiek op de geestelijkheid in de Reynaert’, 64-83. Beschikbaar 7 oktober
Redactioneel
Beste lezer,
Wij eisen de nacht op. Een vijftal woorden die tijdens onze eerste vergadering voor deze nacht-editie overal in Nederland verschenen. Op stations, langs de snelweg, op laptopstickers en in het nieuws. Als redactie realiseerden we ons hoe onderbelicht de nacht is. Zowel op straat, als in de historiografie. Toch tonen de artikelen in deze editie aan dat het thema weldegelijk leeft onder historici. Het onderwerp ligt misschien niet voor de hand, maar dat maakt het niet minder relevant. Onze zoektocht heeft interessante artikelen vanuit verschillende disciplines en meerdere landen opgeleverd, die goed aantonen hoe wijdverspreid onderzoek naar de historische nacht is.
Het eerste artikel van deze editie komt van Adrian van der Velde. Hij schreef zijn artikel op basis van zijn in 2024 afgeronde proefschrift When Unwelcome Night Came: A Nocturnal History of the Colonial Caribbean, 1660-1800. Met zijn artikel betoogt Adrian van der Velde dat mensen de nachtelijke duisternis in de Nederlandse Caraïbische koloniën veel gebruikten om zich in te verplaatsen of om in te werken. Vanuit het perspectief van tot slaaf gemaakten en smokkelaars, wordt de nacht in het artikel van Adrian van der Velde haast tot een historische actor an sich gemaakt. Zijn werk illustreert dan ook goed het belang van de nacht binnen de geschiedenis en de meerwaarde van historisch onderzoek naar deze donkere uren.
Een opvallende verschijning in deze editie is het artikel dat Kurt Vanhoutte en Anouk van Rossum schreven vanuit het B-magic Excellence of Science Project. Zij deden onderzoek naar de zogenaamde magische lantaarn: een apparaat waarmee de nachtelijke duisternis al sinds de zeventiende eeuw verlicht wordt door op het witte doek geprojecteerde afbeeldingen. De auteurs beschrijven op gevatte wijze hoe de lantaarn balanceerde op de scheidslijn tussen magie en wetenschap en zo in de negentiende eeuw een bijdrage kon leveren aan de belevingscultuur van de moderniteit.
Zoals Kurt Vanhoutte en Anouk van Rossum aandacht besteden aan de opkomst van het moderne nachtleven, draagt Adriaan Duiveman met zijn artikel bij aan het door Peter Burke opgekomen debat over de overgang van een middeleeuwse ‘festivalcultuur’ naar een ‘vrijetijdscultuur’ in de vroegmoderne tijd. Adriaan Duiveman focust zich hierbij eveneens op het nachtleven, maar raakt aan een geheel ander onderwerp. Hij bestudeert met zijn artikel wat de rol van de nacht was binnen vroegmoderne drinkliederen en betoogt dat deze liederen de nacht als omkering van de dag beschouwden. Door hierbij het verschil in de houding ten opzichte van dronkenschap onder mannen en vrouwen aan te halen, heeft het artikel bovendien een waardevolle focus op genderverhoudingen binnen het nachtleven.
Om het thema van deze editie af te ronden interviewden we Jan Hein Furnée naar aanleiding van zijn eigen onderzoek naar stedelijke vrijetijdsbesteding. Hij deed een boekje open over het belang van onderzoek naar de nacht, de historiografie en zijn eigen onderzoek naar het culturele leven en vertier in het Amsterdam van de vroege negentiende eeuw. Jan Hein Furnée vertelde uitgebreid over de gemaakte keuzes binnen zijn onderzoek, zijn zoektocht naar de juiste casus en de verhouding van zijn nieuwe onderzoek tot zijn eerdere werk. Ook vertelde hij welke nachtelijke thema’s wat hem betreft nog onderzocht kunnen worden.
Buiten het thema, maar minstens zo interessant is het artikel van Tim Pijpers. Hij verzorgt voor deze editie de themacollegerubriek, met een artikel dat voortkomt uit een tekstuele analyse van het verhaal Van den vos Reynaerde uit de dertiende eeuw. Tim Pijpers gaat in zijn artikel uitgebreid in op de sociaalhistorische context van het werk, door te betogen dat de auteur van het werk middeleeuwse visies op gender inzette om kritiek te uiten op de geestelijkheid.
De editie wordt afgesloten door Karym Leito, Marie Keulen en Jan Bant. Zij schreven in het kader van het wereldkampioenschap voetbal 2026 een cultuurhistorische reflectie op de geschiedenis van voetbal en het christendom op Curaçao, de koloniale achtergrond ervan en de lokale toe-eigening van beide praktijken. (Reeds online verschenen)
Zoals u merkt is dit nummer weer een goed gevulde editie geworden. Naast de artikelen buiten het thema, schijnen de artikelen binnen het thema een nieuw licht op de nacht als historisch fenomeen. We hopen dat u veel plezier haalt uit het lezen van deze editie!
Ex Tempore jaargang 45 (2026) afl. 1
Inhoud
- Onessa Novak, ‘Femicide in de collectie van Atria. Gendergerelateerd geweld: van privéprobleem tot overheidszorg’, 6-13.
- Miriam J. Groen-Vallinga & Evelien J.J. Roels, ‘Zichtbaarheid en verborgenheid. Eerbetoon aan vrouwen in de keizertijd’, 14-35.
- Maya Raz, ‘De kleren maken de ‘man’. Historiografie van transmannelijke personen in Vroegmodern Nederland’, 36-57.
- Maja Gierejko, ‘The biopolitics of peace. Oslo accord’s hidden architecture of control’, 58-94.
Redactioneel
Beste lezer,
Voor u ligt het Ex Tempore themanummer over gender en gendergeschiedenis. Toen de redactie van Ex Tempore er ruim een jaar geleden voorkoos om dit themanummer te gaan ontwikkelen, was dit met name om de historische en maatschappelijke relevantie van het thema. We hoopten met een brede selectie uit verschillende historische disciplines de gevarieerdheid van het vakgebied aan te tonen én hier aan bij te dragen. Op zich een mooi streven natuurlijk, maar terwijl wij ons op historisch vlak bezighielden met gender heeft de wereld niet stilgestaan. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan werd alles wat de indruk van diversiteiten inclusie wekte (on)zorgvuldig uit de defensie-archieven verwijderden werden verkrachtingszaken op hoog niveau zwartgelakt en misbruikt voor het eigen belang van de Amerikaanse president. In Nederland uitte het voortbestaan van gendergerelateerd geweld zich op een slecht verlicht Duivendrechts fietspad, waar een verschrikkelijke verkrachting en moord het maatschappelijke debat over gender en genderongelijkheid verder aanwakkerden.
Om te onderstrepen dat er op het vlak van gendergeschiedenis in brede zin en gendergerelateerd geweld in het specifiek nog zoveel te onderzoeken valt, krijgt binnen deze editie onze rubriek Uit het archief een speciale plek. Deze bijdrage is geschreven door Onessa Novak. Zij doceerde enkele jaren geleden onder andere het vak gendergeschiedenis aan de Radboud Universiteit en is momenteel werkzaam bij Atria, het kennisinstituut voor vrouwengeschiedenis en gendergelijkheid. Onessa Novak neemt ons mee naar de geschiedenis van de Blijf-van-mijn-lijf-huizen en de vele archieven die Atria in huis heeft voor toekomstig onderzoek naar dit fenomeen. Haar artikel laat niet alleen zien hoeveel er nog te onderzoeken valt, maar ook hoelang gendergerelateerd geweld al van maatschappelijk belang is.
Miriam Groen-Vallinga en Evelien Roels nemen ons verder mee terug in de tijd. Ze deden onderzoek naar de weergave van vrouwen in antieke inscripties en beschrijven op basis hiervan welke politieke invloed en belangrijke posities aan vrouwen in de Oudheid konden worden toegeschreven. De auteurs verhouden zich hiermee kritisch tot de bekende antieke literaire bronnen, waarin vrouwen overwegend een achtergestelde rol toebedeeld kregen. Het artikel roept op om het idee dat vrouwen in de Oudheid onzichtbaar waren te doorbreken en in te zien welke kansen er bestaan voor gender-historisch onderzoek aan de hand van de genoemde inscripties.
Het artikel van Maya Raz komt voort uit het themacollege Stiltes van het verleden van de opleiding geschiedenis en werd door onze redactie geselecteerd om in Ex Tempore gepubliceerd te worden. Het onderzoek van Maya Raz was erop gericht om te achterhalen welke ‘stiltemomenten’ in de geschiedenis ten grondslag lagen aan de afwezigheid van transmannelijke personen in de Nederlandse historiografie over vroegmodern Nederland. Binnen het artikel staat het in de jaren tachtig verschenen werk Vrouwen in mannenkleren: een tegendraadse traditie Europa 1500-1800 van Rudolf Dekker en Lotte van de Pol centraal, omdat dit werk nog altijd veel invloed op de Nederlandse historiografie heeft. De diepgaande en kritische historiografische analyse van Maya Raz vormt een belangrijke bijdrage voor onze gendereditie.
In deze editie verschijnt tot slot het artikel van Maja Gierejko. Zij won in 2025 de Ex Tempore scriptieprijs voor haar onderzoek naar het vredesproces rondom de Oslo Akkoorden in de periode 1992 tot 2000. In haar artikel analyseert Maja Gierejko verscheidene documenten die betrekking hebben op deze akkoorden, om te achterhalen wat de impact ervan op het leven van Palestijnen was. Dit doet ze aan de hand van Michel Foucaults concept biopower en Judith Bulters concept precarity, onder andere om de vraag te beantwoorden of de akkoorden verdere onderdrukking faciliteerden. Hedendaagse oorlogshandelingen en wapenstilstanden in het door Maja Gierejko bestudeerde gebied maken haar bevindingen over de impact van vredesverdragen op wrange wijze relevant en belangrijk.
Het artikel van Maja Gierejko en de artikelen binnen het thema van deze editie, tonen aan dat historici ook binnen hedendaagse problematiek een betekenisvolle plek kunnen innemen. Juist omdat er op maatschappelijk gebied nog geen volledige gendergelijkheid behaald is, kunnen historici een belangrijke rol vervullen in het inzichtelijk maken van (historische) genderverhoudingen. De meeste artikelen in deze editie eindigen dan ook met een duidelijke oproep tot vervolgonderzoek, waar we ons graag bij aansluiten. We hopen dat u ook geïnspireerd raakt na het lezen van deze editie!
Ex Tempore jaargang 44 (2025) afl. 2
Inhoud
- Sophie van den Heuvel, ‘De lange weg naar een ideaal museum. De praktische toepassing van nieuwe museulogische idealen’, 6-31.
- Lindsay Janssen & Christopher Cusack, ”All in the same boat?’ Hongersnoodmigratie in Ierse musea’, 32-51.
- Arthur Crucq, ‘Hybride kunst uit een koloniaal verleden. De Schmutzer-Iko collectie uit Steyl’, 52-73.
- Maarten Voncken, ‘Partners in Science. ASML en het Van Gogh Museum’, 74-88.
Redactioneel
Beste lezer,
Voor u ligt ons speciale museumnummer, een editie die al bijna twee jaar geleden tijdens een redactievergadering voor het eerst geopperd werd. De vele andere onderwerpen die toen nog in de pijplijn zaten maakten echter dat de uitvoering van desbetreffend themanummer even op zich heeft laten wachten. Dat blijkt overigens niet al te erg te zijn, want het biedt ons de mogelijkheid om de editie een wereld in te sturen waarin het debat over de rol van musea in de westerse samenleving interessante wendingen genomen heeft.
Hedendaagse en historische pogingen om musea onderdeel te maken van politieke doelstellingen zijn illustrerend voor de rol die musea binnen de creatie van een collectieve geschiedenis en het uitdragen van een ideologie toebedeeld kregen en nog altijd krijgen. Het zijn keuzes die de aandacht wegnemen van de wetenschappelijke en maatschappelijke processen en ontwikkelingen die bij de samenstelling en interpretatie van museumtentoonstellingen komen kijken. Met deze editie hopen we juist daar een weergave van te bieden.
Sophie van den Heuvel opent de editie met haar artikel over de zogeheten nieuwe museologie, een beweging gericht op het veranderen van de wijze waarop de inrichting van musea tot stand komt. Het artikel is het resultaat van een historische analyse van drie tentoonstellingen tussen 1992 en 2016 en beslaat zowel de maatschappelijke oorsprong van het fenomeen nieuwe museologie, als de theoretische en praktische invulling ervan.
Lindsay Janssen en Christopher Cusack bespreken vervolgens op kritische wijze hoe verschillende Ierse musea over De Grote Hongersnood (1845 – 1851) bij het samenstellen van tentoonstellingen omgaan met het gebrek aan objecten en verhalen uit de eerste hand. Een belangrijk onderdeel hiervan is de plaats die het narratief van deze musea heeft binnen de collectieve herinnering aan de hongersnood en de consequenties die hier al dan niet aan verbonden zijn.
Het artikel van Arthur Crucq gaat over het Javaanse perspectief op de hybride Javaans-christelijke kunst, met als casus de beeldhouwwerken die de Javaanse beeldhouwer Iko begin twintigste eeuw maakte in opdracht van de plantage-eigenaar Josef Schmutzer. Dit doet hij aan de hand van correspondentie tussen de plantage-eigenaar en zijn zus Elise Anna Maria Antonia. Het artikel van Crucq zet aan tot denken over zowel de doorwerking van het koloniale verleden in hedendaagse museumcollecties als de kans die musea met die reden hebben om het koloniale verleden onder een
breed publiek bespreekbaar te maken.
De museumeditie wordt afgesloten met een voor ons ietwat afwijkende bijdrage die het resultaat is van een opvallende ontmoeting tussen een historisch tijdschrift en het hightechbedrijf ASML. Dit bedrijf zocht de afgelopen jaren binding met de Brabantse geschiedenis en ging een samenwerking aan met het Van Gogh museum. Op basis van onze vragen hierover schreef Maarten Voncken een artikel, waarin hij de ins en outs van deze samenwerking uit de doeken doet.
Zoals u inmiddels vast weet verschijnen onze rubrieken, net zoals bovenstaande artikelen, de komende weken op onze website. Veel leesplezier!
Ex Tempore jaargang 44 (2025) afl. 1
Inhoud
- Grace MacLachlan, ‘SALVS PROVINCIARVM. Celebrating the health of the Rhine and its provinces on the coinage of Postumus’, 6-17.
- Nicole Ganbold, ”Thus Appears the Murderers’ Bay’. Abel Tasman, the Māori, and the Image That Made History’, 18-25.
- Martine Meuwese, ‘De mysterieuze Madonna van Melun’, 26-45.
- Pim Möhring, ‘Een ‘Nederlandsch-Indisch karakter’. De Javasche Bank en de vormgeving van het 1864 bankbiljet’, 46-61.
- Jetze Boon, ”Voor een lokaal gebeuren’. Het schrijven van liedteksten en de verwerking van emoties rondom stedelijke transformatie’, 62-83.
- Saar van Kempen, ”Ik verwenschte de muziek’. De rol van muziek binnen het emotionele leven van Maurits van Lennep, Caroline van Loon en hun familie’, 84-99.
Redactioneel
Beste lezer,
Net zoals hoe wij onze representatie van de realiteit zo dicht mogelijk op de realiteit willen laten lijken, dwingt de subjectiviteit van iedere representatie toch af dat onze representaties onze realiteit hervormen. Iemand die nooit op een bepaalde plek is geweest, zal een representatie ervan voor waar aannemen en mocht die persoon er ooit komen, dan zal diens ervaring ervan gekleurd zijn door eerdere representaties.
In dit nummer zullen wij in deze representaties duiken. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de vormgeving van de eerste afbeeldingen op bankbiljetten in Nederlands-Indië en de overwegingen die ertoe leidden dat Jan Pieterszoon Coen op deze biljetten stond. Ook lezen we over het allereerste contact tussen Europeanen en de Ngāti Tūmatakōkiri uit Nieuw-Zeeland. Hierin lezen we over de eerste representaties van deze bevolking vanuit een Europees perspectief en welke gevolgen dit perspectief heeft voor de representatie. Grace Maclachlan schreef voor dit nummer over de manier waarop de Rijn werd afgebeeld op Oud-Romeinse munten ten tijde van Postumus en hoe de Rijn hier werd gebruikt als legitimatie voor een lokale keizer.
Met deze en andere contributies hopen we met dit nummer licht te werpen op zowel het belang dat iconografie speelt in representatie in de geschiedenis als in de huidige representatie van de geschiedenis.
Dit nummer zal op termijn ook op onze website verschijnen, met daarnaast onze rubrieken zoals Uit de Ivorentoren om up-to-date te blijven met het departement Geschiedenis, als een interview met Roman Krznaric over zijn nieuwe publicatie History for Tomorrow.
