Van 2022 tot 2023 publiceerde Ex Tempore online de themacollegerubriek, waarin studenten de mogelijkheid kregen om voor Ex tempore te publiceren. Tegenwoordig zijn deze studentenpapers volwaardig geïntegreerd in ons tijdschrift.
- Jakob Jung, ‘From Polis to Municipium’ (2023)
- Louise Stevens, ‘Medische kennis in Sri Lanka’ (2023)
- Rick van Brummelen, ‘Onderscheid door ongesteldheid’ (2022)
- Lea Leentjens, ‘Bovengronders en ondergronders’ (2022)
- Dana Reerink, ‘Vaginale iconografie en feminisme’ (2022)
- Bastiaan van Dijk, ‘Edward Gibbon and the Five Good Emperors’ (2022)
Jakob Jung, ‘From Polis to Municipium’ (2023)
Nadat Rome in 90 v. Chr. de sociale oorlog won van zijn voormalige bondgenoten, onderging het Italiaanse schiereiland veel fundamentele veranderingen. In deze periode van toenemende Romeinse controle werd een Romeins type lokaal bestuur overgenomen door steden in heel Italië. Dit artikel onderzoekt hoe de wetgeving van Rome de sociaal-politieke organisatie in de geallieerde Griekse stadstaat Tarentum in de Zuid-Italiaanse regio Apulië voor en na het conflict beïnvloedde. Hiervoor is de analyse gericht op epigrafie en twee fragmenten van Romeinse wetsteksten – het Tarentum fragment (ca. 123-103) en de Lex Tarentina (ca. 89-62 v. Chr.) – die zich in Tarentum bevinden. Door het concept van ‘anchoring innovation’ toe te passen, stelt dit essay dat de nieuwe naoorlogse orde zich verankerde in het behoud van oudere lokale elementen van het vorige bestuur om het nieuwe sociaal-politieke perspectief te stabiliseren. Op deze wijze zal het artikel verklaren hoe verandering aanvaardbaar werd voor de Tarentijnen en illustreert het tegelijkertijd de complexiteit en veelzijdigheid van de Romeinse invloed op Italië.
Dit artikel is in het Engels.
Louise Stevens, ‘Medische kennis in Sri Lanka’ (2023)
In de historiografie rondom kennisoverdracht in de Nederlandse koloniën heeft lange tijd de nadruk gelegen op de vooraanstaande en vooruitstrevende kennis die de Nederlanders meenamen. Door andere archieven bij koloniaal onderzoek te betrekken, kan echter vanuit een ander perspectief naar de relatie tussen westerse kennis en koloniale macht worden gekeken. In dit paper wordt aan de hand van verschillende rechterlijke bronnen van de VOC onderzocht hoe medische kennis door Nederlandse overheersers werd ingezet in Sri Lanka in de achttiende eeuw. Uit een analyse van verschillende plakkaten die zijn ingevoerd door de VOC en van een verslag van een rechtszaak over inenting tegen de pokken uit 1795, wordt duidelijk dat de Nederlandse overheersers verschillende hulpmiddelen inzetten om hun westerse medische kennis als superieur neer te zetten en te betrekken op het dagelijks leven in Sri Lanka. Medische kennis kan hierdoor als een verschijningsvorm van macht voor de VOC worden gezien, wat terug te vinden is in het rechtssysteem.
Rick van Brummelen, ‘Onderscheid door ongesteldheid’ (2022)
Dat de islam verbonden is met de andere twee abrahamitische religies moge duidelijk zijn, maar hoe de islam zich, met name in de formatieve periode, verhield tot deze andere religies is nog altijd debat over. Lange tijd is er in de historiografie voornamelijk aandacht geweest voor de wijze waarop de islam regels en gebruiken over zou hebben genomen uit het Jodendom. Er wordt echter door sommige academici ook een tegengeluid gegeven. Namelijk dat de vroege moslimgemeenschap zich heel bewust tegen de andere religies afzette, om zo een ‘Ander’ te creëeren. Deze praktijk noemde men mukhâlafa. Dit artikel zal aan de hand van de islamitische regelgeving omtrent menstruatie de tactiek van mukhâlafa de relatie tussen de 9e eeuwse islam en het jodendom onderzoeken. Om vervolgens te pleiten voor het opnemen van mukhâlafa in de onderzoeksfocus van historici en religiewetenschappers. Om zo een completer en genuanceerder beeld te krijgen van de herkomst van de islamitische identiteit.
Lea Leentjens, ‘Bovengronders en ondergronders’ (2022)
Zuid-Limburg ontwikkelde zich tijdens de overgang van de 19e naar de 20e eeuw als een grootindustrie van mijnbouw. Duizenden mensen vonden werk in deze nieuwe Mijnstreek, waarin de mijnwerkers en de beambten de hoofdrolspelers waren. Ondanks dat deze twee specifieke groepen veel overeenkomsten hadden, bestonden er toch degelijk verschillen tussen. Dit paper onderzoekt hoe de verhoudingen tussen beambten (bovengronders) en mijnwerkers (ondergronders) de verstandhouding tussen beiden hebben beïnvloed na de jaren ’50 in de Mijnstreek. Dit wordt bekeken tegen de achtergrond van de verzuiling en zodoende de invloed van de Katholieke Kerk, stromingen als communisme en socialisme, en de grote invloed van het mijnbedrijf op de levens van deze specifieke groepen. Uit het onderzoek blijkt dat voor beide groepen hun volledige leven draaide om de mijn en hun geloof. De verstandhouding tussen beambten en Koempels is dan ook neutraal tot positief te noemen.
Dana Reerink, ‘Vaginale iconografie en feminisme’ (2022)
Van 1960 tot 1980 werd vaginale iconografie ingezet om bij te dragen aan de feministische bewegingen van die tijd. Deze kunst werd onderhevig aan de sociale kritiek van de Tweede Feministische Golf en was onderdeel van discussies over de definiëring van feminisme. In dit paper worden de vaginale kunstwerken van Hannah Wilke, Judy Chicago, Nancy Grossman, Carolee Schneemann en Shigeko Kubota geanalyseerd en wordt de bijdrage van deze werken aan de Tweede Feministische Golf onderzocht. De resultaten tonen dat vaginale iconografie bijdroeg aan de Tweede Feministische Golf middels het uitdrukken van het belang van een verbetering van de positie van vrouwen in de samenleving en het verwerpen van het stigma rondom vrouwelijke genitaliën.
Bastiaan van Dijk, ‘Edward Gibbon and the Five Good Emperors’ (2022)
In The History of the Decline and Fall of the Roman Empire, Edward Gibbon’s prescriptive views on the world shine through. Although Gibbon used many different sources for his work, his ideas about the five great emperors, backed by his interpretations of Machiavelli’s work, seem dated. In this paper, three sources Gibbon used for his research will be assessed, as well as the manner in which they were used. Even though Gibbon does not seem to have cherry picked his sources, he does seem to have been motivated to use these sources to prove that Machiavelli’s ideas of the ideal state had been realized in Rome during the reign of the five great emperors. It was precisely this motivation of Gibbon’s and not the propagandistic nature of his source material which hampered him in his objectivity.
