Door: Jetze Boon en Bart van Duijvenbode
Time to read:
[Bart] Afgelopen jaar ik ontving van mijn achterneef het boek De Geldersse Geschiedenissen van Arend van Slichtenhorst uit 1653. Hij wilde het graag doorgeven en als enige geschiedenisstudent in de familie werd er – tot mijn grote geluk – al snel naar mij gewezen. Het ontvangen en openslaan van het boek was voor mij een moment dat Johan Huizinga een ‘historische sensatie’ zou noemen. Het enorm dikke boek kwam in de familie via mijn betovergrootvader (vader van de moeder van de vader van mijn moeder) Johannes Antonius Slempkes. Slempkes was schoolmeester in Rozendaal, Gelderland (afbeelding 1) en hield zich veel bezig met geschiedenis. Zo hertaalde hij het werk Reynaert de Vos en schreef hij een boek over Twintig eeuwen geschiedenis van het Nederlandsche volk.1 In 1934 werd hij gevraagd om een toneelstuk te schrijven over de geschiedenis van het Gelderse dorp Velp. Als bedankje voor het toneelstuk ontving hij het toepasselijke cadeau De Geldersse Geschiedenissen. Nu het boek op mijn kamer ligt, leek het me leuk om in de geschiedenis van het boek en de auteur te duiken. Samen met medestudent Jetze Boon heb ik met veel plezier het opmerkelijke boek van Arend van Slichtenhorst onderzocht.

[Jetze & Bart]
Over de auteur
Gelukkig is er veel informatie beschikbaar over de auteur Arend van Slichtenhorst, aangezien Gradus Beernink in 1916 een boek heeft geschreven over Arend en zijn vader.2 Alhoewel Beernink duidelijk uitvoerig onderzoek heeft gedaan (hij heeft zelfs de schooltijden van de lagere school van Arend achterhaald), zal blijken dat hij weinig kritisch was met zijn beschrijvingen van vader en zoon.3
Arend van Slichtenhorst werd geboren in 1616 uit het huwelijk van Brant van Slichtenhorst en Aeltgen van Wenckum.4 Toen Arend dertig jaar oud was, vertrok zijn vader Brant naar het Noord-Amerikaanse Nieuw-Nederland. Beernink schrijft trots over de Nederlandse koloniale macht, ‘die vrijheid en welvaart bracht in elk door haar beheerscht gebied.’5 Ironisch genoeg beschrijft hij vervolgens de vele misstanden en de grote armoede in het gefaalde koloniale project van Nieuw-Nederland. Brant was naar Nieuw-Nederland gekomen als directeur van Rensselaerswijck, een deel van de kolonie die grotendeels uit een netwerk van Gelderse kennissen bestond en daarom door Beernink ‘de Geldersche Vallei in Nieuw-Nederland’ wordt genoemd.6 Brant voorkwam volgens Beernink meerdere aanvallen van ‘de wilden’ (de inheemse bevolking) en kwam in conflict met ‘den heerschzuchtige’ gouverneur Peter Stuyvesant, die hem tweemaal gevangen heeft gezet.7 Na tien jaar vertrok Brant onsuccesvol uit de kolonie.8 Toch weet Beernink het positief te laten klinken: een stadje in Rensselaerswijck, genaamd Mauritsstad, groeide uit tot Albany, de hoofdstad van de staat New York. Beernink schrijft Brant hierbinnen een grote rol toe, als ‘Stichter van Albany’.9
Ook over Arend is Beernink weinig genuanceerd. Arend was vanaf zijn jeugd al ‘niet van muzikalen aanleg ontbloot’, ‘een meester in de zwemkunst’ en hij blonk ook nog uit ‘wegens zijne eerlijkheid en waarheidsliefde’.10 Op 22-jarige leeftijd promoveerde Arend in rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Leiden.11 Hierna besloot hij zich te keren tot het schrijven van geschiedenisboeken. Zo assisteerde Arend zijn leermeester Johannes Pontanus met Historiae Gelricae, een in het Latijn geschreven werk over de geschiedenis van Gelderland.12 Beernink logisch dat ‘zelfs bij mannen met klassieke opleiding het boek van Arend van Slichtenhorst dat van zijn vriend en leermeester Johannes Pontanus heeft verdrongen’.13
Achtergrond van het boek
De Geldersse Geschiedenissen is een bundel van ‘alle XIV. Boeken van de Geldersse Geschiedenissenn verciert met alle sijn Landt-Kaerten, steden ende Forten benevens De Wapenen der Vooghden, Graven ende Hertoghen […] van ‘t begin af vervolgd tot aen de afzweeringh des Konincx van Spanien’.14 Arend had meerdere redenen om dit boek te schrijven. Hij was fervent anti-Spaans en anti-katholiek. Het eerste boek dat volledig van zijn hand was, Lusitania Libera (het vrije Portugal), schreef hij dan ook naar aanleiding van de onafhankelijkheid van Portugal in 1640, dat zich van Spanje had afgescheiden.15 Voor het schrijven van de Geldersse Geschiedenissen was (het einde van) de Tachtigjarige Oorlog een grote reden om de geschiedenis in te duiken, zoals ook duidelijk is uit het laatste deel van de titel (‘de afzweeringh des Konincx van Spanien’) plaatst Arend de overwinning op de Spanjaarden in lange traditie waarin Gelderland ‘meermaels is omgewroet, geschat en geschooren; getuymeld en wederom opgestaen’.16 Arend schrijft onbeschaamd trots over de Beeldenstorm in Gelderland, waarbij ‘haere kerken van de kraempoppen en stomme beelden der Roomschgesinden’ werden gezuiverd.17 Ook schreef hij het boek duidelijk vanuit zijn liefde voor het‘vaderland’, wat in zijn geval Gelderland is.18 Voor Arend was het belang van een Nederlandstalig boek dan ook groot, omdat hij beweerde dat velen in zijn omgeving ‘over hun voor-ouders doorgaens zo luttel weeten, als of die noyt en hadden geleeft’.19 Met zijn boek kon Arend eraan bijdragen dat Gelderland een breder gedragen historische identiteit en legitimiteit kreeg.
De vele uitgebreide inhoudsopgaven van alle gebundelde boeken liegen er dan ook niet om. Het eerste boek, Toneel des Lands, is een rijkelijk gevuld geheel, met kaarten van steden en landgoederen (afbeelding 2), afbeeldingen en gedetailleerde beschrijvingen van Gelderse steden en gebieden zoals de Betuwe en de Veluwe. Zo beschrijft de auteur tot de te vangen vissen aan toe hoe het leven in Gelderland eraan toe ging.20 Vanaf het tweede boek beginnen De Geldersse Geschiedenissen. Deze boeken beginnen in het jaar 58 ‘voor de saligmakende geboorte’ toen Julius Caesar als ‘Roomsch Borger-meester’ voor het eerst in aanraking kwam met inwoners van wat nu Gelderland is.21 Vervolgens gaan de boeken de Gelderse geschiedenis stapsgewijs af op basis van de regeerperiodes van bijvoorbeeld de Romeinse keizer Nero of de zestiende-eeuwse keizer ‘Maxmiliaan [sic] de tweede’.22

Arends eigenaardigheden
Alhoewel Arends boek technisch gezien een vertaling was van het werk van Pontanus, toont Arend zich een eigenwijs historicus. Niet alleen is het boek bijna verdubbeld in inhoud, maar Arend kijkt ook kritisch naar zijn ‘ouden leeraer en hoofdvriend’ Pontanus.23 Wanneer Pontanus bijvoorbeeld een geografische fout maakt, beschrijft Arend dit als een ‘onvergeeffelijke misslagh in den heer Pontanus’.24 Arend verhield zich ook tot andere werken, wat maakte dat hij meermaals nadrukkelijk reflecteerde op de historiografie. Een vaak aangehaalde auteur was bijvoorbeeld de ‘meer genoemde en noyt genoegh gepreesen Tacitus’.25 Ook worden lezers doorverwezen naar uitgebreidere naslagwerken over specifieke plaatsen of gebeurtenissen.26 Wederom gaat Arend de discussie aan met de auteurs waar hij zijn werk op baseerde. Over auteurs waar hij het niet mee eens was, betoogde hij bijvoorbeeld dat ‘men by nauwe naspooringh van alle om-standigheden’ wel moet concluderen dat zij ‘op een dool-wegh’ waren.27
Waar Arend in sommige passages erg zeker van zijn zaak lijkt, toont de tekst ook veel van de overwegingen en onzekerheden van de auteur. Hij dekt zich bijvoorbeeld in met voetnoten als: ‘om den Leezer niet te verveelen, stellen wy hier slechts de bloote naemen der plaetzen’.28 In andere gevallen plaatst hij deze overwegingen in de hoofdtekst, zoals dat ‘het kan wesen dat de Schrijver sich in den rechten naem heeft vergist’.29
Ook opmerkelijk is het taalgebruik van Arend, wiens Gelderse (en Nijkerkse) afkomst terug te vinden is in de tekst. In een tijd waarin taal nog niet gestandaardiseerd was, drukt Arend zich uit in spelling gebaseerd op de lokale tongval. Het Gelders is volgens Arend een ‘oprechte, moederlijke, zelfstandighe en ongemenghde [tael]’, en is alleen ondergeschikt aan het Hebreeuws, de taal ‘welke God zelve heeft willen gebruyken’.30 Er zijn een aantal mooie Gelderse uitdrukkingen in zijn werk te vinden: ‘gemack en gerack’ (voorzieningen in het levensonderhoud/eten en drinken), ‘honigh-immen’ (bijen), ‘backhuys’ (bakkes oftewel mond), en ‘schinken’ (ham).31 De uitdrukkingen hebben veel weg van het Duits.
Een ander eigenaardig trekje van Arend is dat hij vaak – en niet altijd met duidelijke redenen – over seksualiteit schrijft. Wanneer hij Tacitus parafraseert over de klederdracht van de Germanen in de Oudheid (‘dat de wijven zomwijlen in linne kieltiens gekleed ginghen, ende de armen, als mede een goed deel van de borst, heel bloot en open droeghen’), vindt Arend het nodig om dit te koppelen aan de kledingstijl van contemporaine vrouwen: ‘[zoals] zedert etlijke iaeren onse weeldighe Iuffrouwen’.32 Laat deze passage overigens niet de indruk wekken dat zijn taalgebruik altijd zo deftig is; op de volgende pagina wijdt hij zich uit over ‘hoer-huyzen’, wat hij beschrijft als ‘oneerlijke liefde’.33
Nijmegen
Als Nijmeegs historisch tijdschrift ligt het voor de hand om extra aandacht te besteden aan hetgeen Arend te melden had over de Waalstad. Arend besteedt veel aandacht aan deze stad, omdat Nijmegen de hoofdstad en naamgever was van één van de vier kwartieren van Gelderland. Nijmegen vormt dan ook een bruikbare casus om een beter beeld te schetsen van de uitvoerigheid van Arends werk.34 Over het Nijmeegse kwartier schrijft Arend onder andere dat ‘het Vier-deel van Nymegen […] half op den Franssen en half op den Duytssen bodem’ lag en dat het zich tot aan het Sticht Utrecht en ‘de Maes van Brabant’ uitstrekte.35 Het Nijmeegse kwartier besloeg dan ook niet alleen het ‘Rijk ofte Burgh-graeffschap van Nymeghen’, maar ondermeer ook de Over- en Nederbetuwe en het land van ‘Maes en Wael’. Tot dit gebied behoorden dan ook steden zoals Tiel en Zaltbommel.
Ook de stad Nijmegen komt er niet bekaaid vanaf in de bewoording van Arend. Nijmegen ‘is een plaetz, daer zoo veel van te zeghen valt, dat ick nauwlijx weet waer van eerst te beginnen’.36 Toch schrijft Arend weldegelijk een beginpunt aan Nijmegen toe, namelijk de komst van de Batavieren en de stichting van Oppidum Batavorum ‘menighe iaeren voor de zaligh-maekende geboorte’. De naam Nijmegen ontstond vervolgens, zo stelt hij, toen de stad na de opstand van de Bataafse ‘Veld-heer Civilis’ weer was ‘op-getimmerd’. Het op Tacitus gebaseerde relaas van Arend sluit aardig aan op de nog altijd gangbare ontstaansgeschiedenis van Nijmegen.37 Ook ‘een zekere Vaert’, de in de zestiende eeuw aangelegde ‘grift’ (een soort kanaal) tussen Nijmegen en Arnhem, krijgt in het werk van Arend opvallend veel aandacht.38
Arend laat zijn afkeer van Spanje en het katholicisme ook in de Nijmeegse context doorschemeren. Zo reduceert hij een afbeelding van Sint Stephanus in de glas-in-lood ramen van het Nijmeegse stadhuis tot bijgeloof, door te stellen dat de katholieke heilige ‘in de Paepsse donker-tijden voor een beschermer en voor-spraek der Stad wierd aangesien’.39 Deze ‘donker-tijden’ zullen in de beleving van Arend verergerd zijn, toen Nijmegen in 1585 door de Spanjaarden werd heroverd. Deze Spaanse overheersing is volgens Arend primair te wijten aan ‘op-loop en ontrouw van etlijke inwoonders’.40 Opvallend is dat Arend vervolgens met name aandacht besteedt aan prins Maurits die Nijmegen vervolgens innam. De stad werd weer ‘verlost’ vanuit de ten noorden van Nijmegen gelegen schans Knodsenburg, die zo dichtbij de stad lag dat het ‘den burgheren op den neus’ drukte.41 Vanuit hier kon Maurits de ‘huysen van de Stad […] bederven en plat schieten’, terwijl de kanonskogels die vanuit de stad op het fort gericht werden allemaal overvlogen.42
In de latere geschiedenis heeft Nijmegen het qua oorlogvoering eveneens zwaar te verduren gehad. Veel van de gebouwen uit de tijd van Arend hebben de tand des tijds dan ook niet overleefd. Toch worden er naast het stadhuis nog een aantal andere gebouwen genoemd die Nijmegenaren van nu nog altijd kennen. Denk aan de Stevenskerk, die Arend als de ‘kostelijxte en kunstelijxte van alle kerken’ in Nijmegen benoemt. Of de ‘Kroonenburghs-tooren’ die – ‘rond gebouwd [en] van wonderlijke nettigheyd ende dickte’ – nog altijd te bewonderen is in het Kronenburgerpark.43 Het brengt de stad Nijmegen en het Gelderland uit de tijd van Arend ineens een stuk dichterbij.
Conclusie
Met dank aan Arend weten we niet alleen meer over de geschiedenis van Gelderland, maar krijgen we ook een indruk van de waarde en betekenis die door hem aan Gelderland werden toegekend. Zijn grootse en soms opvallend gedetailleerde beschrijvingen laten een gedrevenheid zien om Gelderland in al zijn facetten vast te leggen en dit met zijn (geletterde) bewoners te delen. Het werk van Arend komt duidelijk voort uit een mate van vaderlandslievendheid voor Gelderland die tegenwoordig nauwelijks geëvenaard wordt.
Als toegift hebben we nog een gedicht van W. van Bronckhorst, terug te vinden in het begin van Arends Geldersse Geschiedenissen.
De Tijd, die dus langh had de zeege-daên van Gelder,
Versmoort in donck’re mijn’, brength Slichtenhorst in ‘t helder.
Hij u vergeetelheyd verlicht met sijn verstand,
Wat is hij waerdigh, die herleeven doet sijn land?
‘t Is onderlinghe plicht. Want hij het leeven geeft
Weer aan sijn Vaderland, daer hij ‘t ontfanghen heeft.
- J.A. Slempkes, De Zinrijke Avonturen van de Vos Reinaerde (Zutphen 1929); J.A. Slempkes, Twintig Eeuwen. Geschiedenis van het Nederlandsche Volk (Zutphen 1925-1926). Hier online beschikbaar. ↩︎
- G. Beernink, De Geschiedschrijver en Rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, Stichter van Albany, Hoofdstad van den Staat New-York (Arnhem 1916). Hier online beschikbaar. ↩︎
- Voor de nieuwsgierige lezer: zomers begon de les om 6 uur ‘s ochtends, in de winter om 7 uur, uit: Beernink, De Geschiedschrijver, 32. ↩︎
- Beernink, De Geschiedschrijver, 1. ↩︎
- Ibidem, 64. ↩︎
- Ibidem, 141. ↩︎
- Ibidem, 25, 174, 188, 207. ↩︎
- Ibidem, 216. ↩︎
- Ibidem, 217. ↩︎
- Ibidem, 33-34. ↩︎
- Ibidem, 103. ↩︎
- J. Pontanus, Historiae Gelricae (Harderwijk 1639). ↩︎
- Ibidem, 223. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Alle XIV Boeken van de Geldersse geschiedenissen verciert met alle sijn Landt-Kaerten, steden ende Forten benevens De Wapenen der Vooghden, Graven ende Hertoghen (Arnhem 1653), zie de voorbladen. ↩︎
- Ibidem, 219. ↩︎
- Ibidem, zie voorwoord. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Toneel des Lands, 30. ↩︎
- Beernink, De Geschiedschrijver, 100. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Toneel des Lands, zie voorwoord. ↩︎
- Voor de nieuwsgierige lezer: volgens Van Slichtenhorst werd uit de Zuiderzee gevangen: ‘kabeliauw, schel-vis, bot en spierhing’, A. van Slichtenhorst, Toneel des Lands, 5. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Tweede boek van de Geldersse Geschiedenissen, 2. ↩︎
- Ibidem, 9, 505. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Toneel des Lands, 2. ↩︎
- Ibidem, 48. ↩︎
- Ibidem, 6. ↩︎
- Bijvoorbeeld op: Ibidem, 17; 41. ↩︎
- Ibidem, 37. ↩︎
- Ibidem, 32. ↩︎
- Ibidem. ↩︎
- Ibidem, 32. ↩︎
- Beernink, De Geschiedschrijver, 231. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Toneel des Lands, 30. Mogelijk verwijst Arend hiermee naar sekswerkers. ↩︎
- Ibidem, 31. ↩︎
- Ibidem, 32-33. ↩︎
- Ibidem, 32. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Toneel des Land, 33. ↩︎
- J.A.H. Bots, J.B.A.M. Brabers et al., Nijmegen: Geschiedenis van de oudste stad van Nederland (deel 1) (Wormer 2005) 38; A. van Slichtenhorst, Toneel des Land, 34. ↩︎
- A. van Slichtenhorst, Toneel des Land, 37. ↩︎
- Ibidem. ↩︎
- Ibidem. ↩︎
- Ibidem, 41. ↩︎
- Ibidem. ↩︎
- Ibidem, 36. ↩︎

