Door Louis van den Langenberg en Cara Peters
Time to read:
Jan Hein Furnée is hoogleraar Europese cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit. Hij is gespecialiseerd in stedelijke vrijetijdscultuur, consumptiecultuur en cultuurbeleid in Nederland en West-Europa sinds 1800. Momenteel werkt hij aan een boek over het Amsterdamse culturele leven en publieke vermaak in de eerste helft van de negentiende eeuw. In de eerste paar hoofdstukken komt ook de nacht in beeld: niet als afzonderlijk thema, maar wel als een cruciale dimensie van het stedelijk leven, waarin nachtelijke ervaringen en regulering scherp zichtbaar worden.
Wat spreekt u persoonlijk aan bij de nacht als onderzoeksthema?
In het historisch onderzoek naar stedelijke vrijetijdsbesteding biedt een focus op de nacht een fascinerende kans om het dagelijks leven en samenleven van mensen in het verleden op nieuwe manieren te leren kennen en begrijpen. In de nachtelijke uren dat veruit de meeste stadsbewoners thuis deugdzaam in bed liggen te slapen, kunnen stadsbewoners die zich buitenshuis blijven vermaken zich namelijk in tal van opzichten een stuk vrijer voelen en gedragen dan overdag. Ik denk daarbij voor de lange negentiende eeuw met name aan het bezoek aan kroegen, koffiehuizen, sociëteiten, danshuizen en bordelen. Daar konden vooral mannelijke stadsbewoners in hun drankgelag, gebruik van tabak en andere genotsmiddelen, spelen van gokspelen, flirten en seksueel plezier tijdelijk grenzen overschrijden en gedragspatronen doorbreken waaraan zij overdag gebonden waren. In deze ruimtes waren hun emoties vaak intenser. Ze gingen er andere en anderssoortige sociale relaties aan: intiemer, vertrouwelijker, maar ook ongepolijster en ruwer. Kortom, ze konden er andere identiteiten aannemen dan overdag. Die beleving van vrijheid, grenzen verleggen en spelen met identiteiten: dat zie je ook heel duidelijk bij mannen en vrouwen die tot diep in de nacht dansten op allerlei soorten bals. Het meest evident bij gemaskerde bals waar ze in hun kleding en gedrag bij uitstek tijdelijk andere identiteiten aannamen.
In de negentiende eeuw probeerden lokale autoriteiten in en rond al deze plaatsen van nachtelijk vertier diverse aspecten van het nachtelijk gedrag van hun stadsgenoten – dat zij als gevaarlijk en grensoverschrijdend zagen – te beteugelen met een mix van strenge regulering en repressieve tolerantie. Meer dan je zou vermoeden stonden ze allerlei gedrag dat overdag niet gepast was in de nacht wel degelijk toe; het ging er vooral om om de nachtelijke vrijheden van hun gevaarlijkste kanten te ontdoen. Dat gaf dus interessante onderhandelingsruimte. Stadsbewoners konden het gevestigde gezag van sociaal hoger geplaatsten en lokale autoriteiten uitdagen. In de negentiende eeuw – maar je kunt dit ook betogen voor eerdere en latere periodes – functioneerde de nacht zo als een uitzonderlijke fase in het etmaal waar intense ervaringen van vrijheid en gevaar met elkaar vervlochten waren. Daarin school nu precies de grote aantrekkingskracht. Niet alleen op wakkere stadsbewoners om deze nachtelijke ervaringen van vrijheid en gevaar actief op te zoeken en te beleven, maar ook op journalisten, literatoren en bestuurders om er in kranten, romans en rapporten in geuren en kleuren over te schrijven en er hun slapende stadsbewoners mee te vermaken of alarmeren.
Als ik het heb over de nachtelijke verwevenheid van ervaringen van vrijheid en gevaar denk ik bij ‘gevaar’ in de eerste plaats aan de door stadsbewoners en lokale autoriteiten subjectief beleefde gevaren van dronkenschap, zedeloosheid en opstandigheid. Maar in de negentiende eeuw was de nacht in de stad ook vol objectieve gevaren. Niet alleen in de periode na middernacht, maar ook eerder op de avond nadat de duisternis was ingevallen. Wanneer je dan bij nieuwe maan of een bewolkte hemel op straten met weinig verlichting soms nauwelijks een hand voor ogen kon zien, liep je serieus het risico om in grachten te vallen, lelijk te struikelen over slechte bestrating, beroofd of aangerand te worden. In het wetenschappelijk onderzoek naar de nacht besteden historici daarom altijd ook veel aandacht aan de geschiedenis van de straatverlichting: aanvankelijk met olie, vervolgens met gas, ten slotte met elektriciteit. Een interessante invalshoek, geïntroduceerd door Murray Melbin (1978/1987) en Wolfgang Schivelbusch (Lichtblicke. Zur Geschichte der künstlichen helligkeit im 19. Jahrhundert (1983)), biedt daarbij het concept van de ‘kolonisering van de nacht’.
Dat concept nodigt uit om te doordenken hoe stadsbewoners in de negentiende eeuw met steeds betere kunstmatige verlichting de nacht transformeerden van een domein van duisternis, gevaar en onproductiviteit tot een licht, veilig, beheersbaar, productief te maken verlengstuk van de dag. Het is niet moeilijk om in te zien dat betere straatverlichting de publieke ruimte van steden ’s avonds en ’s nachts voor stadsbewoners een stuk toegankelijker maakte en een belangrijke rol speelde in de toenemende populariteit en de commercialisering van het uitgaansleven. Maar met de heldere gasverlichting in koffiehuizen en sociëteiten – in plaats van bijvoorbeeld drie waskaarsen per speeltafeltje – verloor het nachtelijke uitgaansleven ook iets van zijn uitzonderlijke, mysterieuze, intieme, ontwapenende charme
Die vervlechting van vrijheid en gevaar in het nachtleven, hoe onderzoekt u dat zelf concreet?
Ik werk op dit moment aan een boek over het culturele leven en uithuizig vertier in Amsterdam in de eerste helft van de negentiende eeuw. In de eerste paar hoofdstukken van het boek – gewijd aan sociëteiten, aan koffiehuizen en kroegen, en aan publieke bals – zal de ervaring en de regulering van het stedelijke nachtleven het meest naar voren komen. Afgelopen jaren heb ik hierover vooral veel interessant bronnenmateriaal gevonden in het zogenaamde Secretarie-archief, waarin een groot deel van de correspondentie te vinden is tussen het Amsterdamse stadsbestuur en lokale ondernemers, bewoners, de directeur van politie en provinciale en nationale overheden. Dit archief biedt bijvoorbeeld veel nieuwe informatie en inzichten over hoe al die verschillende actoren voortdurend met elkaar in onderhandeling traden over de regulering en handhaving van het aantal publieke dranklokalen, hun locaties en vooral hun nachtelijke openingstijden.
Stel je even voor: rond 1820 waren er in Amsterdam ruim 1500 kroegen, tapperijen en koffiehuizen in Amsterdam – bijna twee keer zoveel als tegenwoordig, terwijl de bevolking toen vier keer zo klein was als nu. In 1824 dringt de burgemeester er persoonlijk op aan om veruit de meeste van die dranklokalen na twaalf uur ’s nachts te sluiten. Hij betoogt in een prachtige brief dat er “weinige, genoegzaam geene nacht” voorbij gaat waarop er geen “wanorde” omtrent deze dranklokalen plaatsvindt, “geen dag dat het niet echtgenoten of bloedverwanten de bescherming der politie inroepen tegen het ophouden en mateloos drank schenken aan man, vader, zoon of andere”, dat er voortdurend ruzies plaatsvinden “bij drank en praatzugt door verhitte hoofden gevoed”, dat de lagere klassen elkaar hier aansporen tot “onnodige bemoeijingen met aangelegenheden van algemeene politieke zaken”, dat ze een verblijfplaats vormen voor “dieven en allen die de rust van den nacht ontvlieden of de donkerheid tot kwade oogmerken misbruiken”. In zijn brief vind je als het ware een catalogus van alle gevaren die lokale autoriteiten destijds als argumenten inzetten om het nachtleven in kroegen te beteugelen.
Wat die regulering van de nachtelijke sluitingstijden echter vooral interessant maakt is wat er vervolgens in de stad gebeurt om die nieuwe regelgeving te handhaven, ter discussie te stellen en aan te passen. De kwestie over de sluitingstijden blijkt zich dan vooral toe te spitsen op de vrijheid van ondernemen en consumeren in de moderne rechtstaat. In de jaren 1830 vind je in het archief allerlei klachten van omwonenden dat kroegbazen zich helemaal niet aan de verplichte sluitingsuren houden en de politie daar amper tegen optreedt. Maar ook verschillende gehonoreerde verzoeken van kroegbazen om als ‘nachthuis’ bij wijze van uitzondering open te mogen blijven tot twee uur. Begin jaren 1840 procedeert een koffiehuishouder op de Kalverstraat tot aan de Hoge Raad aan toe dat het stadsbestuur hem volgens de letter van de politieverordening niet zou kunnen verbieden om het publiek dat vóór middernacht is binnengekomen na de verplichte sluiting van de deuren te blijven bedienen. In dezelfde periode adviseert de directeur van politie om tijdens de kermisweken het sluitingsuur niet alleen voor de kroegen rond de kermispleinen, maar voor alle kroegen tot twee uur te verlengen. Het onderliggende vraagstuk is bij al die kwesties eigenlijk steeds: van wie is de nacht? Wie heeft waar en wanneer recht op de vrijheden van de nacht?
Overigens, in de reglementen van 1825 werd niet alleen vastgelegd dat publieke dranklokalen om middernacht moesten sluiten, maar ook dat ze ’s ochtends een uur voor het luiden van de zogenaamde ‘boomklok’ weer open mochten. Dat was al om vier of vijf uur ’s ochtends! Uit literatuur over Parijse cafés in de negentiende eeuw weten we dat veel arbeiders ’s ochtends vroeg voor het werk naar de kroeg gingen om in te drinken. Dat is natuurlijk iets wat wij nu helemaal niet meer kennen.
Terwijl de honderden publieke dranklokalen in Amsterdam dus standaard om twaalf uur en bij uitzondering om twee uur ’s nachts moesten sluiten, blijken ondernemers die publieke bals organiseerden doorgaans toestemming te krijgen van het stadsbestuur om tot vier of vijf uur door te gaan. Uit dagboeken blijkt dit ook het tijdstip waarop leden van de hofstedelijke elite vaak thuiskeerde van particuliere bals in besloten kring. In de geschiedenis van het Amsterdamse nachtleven in de negentiende eeuw verdienen bals dus minstens zoveel aandacht te krijgen als kroegen, zeker ook omdat deze natuurlijk door zowel mannen als vrouwen werden bezocht.
Zoals ik eerder al aanstipte, zijn met name gemaskerde bals interessant omdat deze het dansliefhebbend publiek een uitgelezen kans boden om zich tijdelijk een andere identiteit aan te meten. In kranten en tijdschriften vind je daar goede beschrijvingen van: kleinburgers die zich als edellieden verkleedden, edellieden die zich als kleinburgers verkleedden, deftige dames die zich als boerinnen of slavinnen (!) verkleedden, maar ook bijvoorbeeld mannen in travestie. Dat de stedelijke autoriteiten ook in deze nachtelijke verkleedpartijen een gevaar zagen blijkt opnieuw duidelijk uit de voorwaarden die ze aan ondernemers oplegden. Om te voorkomen dat dieven en ander gespuis zich ’s nachts met maskers onherkenbaar zouden kunnen maken, mochten feestgangers niet gemaskerd en verkleed over straat naar hun bal lopen. Ondernemers moesten voorzien in een apart lokaal waar zij zich zouden kunnen verkleden. Een uitzondering werd alleen gemaakt voor wie per rijtuig kwam. En aanvankelijk ook voor Joodse mensen die tijdens het jaarlijkse Poerimfeest in februari/maart in de Joodse buurten gemaskerd over straat mochten lopen, totdat zij daar in 1819 volgens de directeur van Politie “verregaand misbruik” van zouden hebben gemaakt door zich ook gemaskerd in de Nes te vertonen.
Zijn er bepaalde sociale groepen die meer of minder zijn belicht?
Ik denk dat je over het algemeen kan zeggen dat we het minst weten over de stedelijke vrijetijdsbesteding en andere aspecten van het dagelijks leven van kleine middenstanders. Er wordt veel onderzoek gedaan naar elites en hogere middengroepen – dat doe ik zelf ook. En historici hebben ook vrij veel aandacht besteed aan het zogenaamde ‘burgerlijke beschavingsoffensief’ en de ‘veredeling van het volksvermaak’ onder met name stedelijke arbeiders. Vaak dus indirect door de ogen van lokale autoriteiten en de burgerij en minder vanuit hun beleving of hun woorden, want daar zijn amper of geen bronnen voor. Maar de lagere middenklasse, die vanuit het perspectief van de autoriteiten overigens vaak als ‘het volk’ werd gezien, is de meest onderbelichte en deels ook moeilijkst te belichten groep. In mijn boek probeer ik daar waar mogelijk wat meer aandacht aan te besteden, bijvoorbeeld in de hoofdstukken over kroegen, maar ook bijvoorbeeld in een hoofdstuk over kleine populaire schouwburgen. Ten aanzien van het nachtleven is het echter wel goed om je te realiseren dat veruit de meeste kleine middenstanders dan doorgaans thuis in bed lagen om de volgende dag weer in de zaak te kunnen staan.
Zoals ik al even aanstipte genoten mannen in de nacht aanzienlijk meer vrijheden dan vrouwen, en werden vrouwen juist meer dan mannen met gevaren geconfronteerd. In de late avond en zeker tijdens de nacht was het stedelijke uitgaansleven, met uitzondering van bals, voor vrouwen uit de hogere en middenstanden vrijwel ontoegankelijk. Op basis van politie- en rechtbankverslagen heeft de Amerikaanse historicus W. Scott Haine kunnen vaststellen dat Parijse kroegen ’s avonds laat wel degelijk ook door arbeidersvrouwen werden gefrequenteerd, maar hoe dat nu precies zit in Amsterdam heb ik op basis van de tot nu toe bestudeerde bronnen nog niet kunnen vaststellen.
Als we de aandacht verleggen van kroegen en bals naar zogenaamde ‘speelhuizen’ en bordelen blijkt dat vrouwelijke sekswerkers op hun beurt meer macht in en over de nacht hadden dan je misschien zou vermoeden. De politie en de publieke autoriteiten probeerden bordeelbezoek te reguleren. Bordelen waren in de negentiende eeuw niet volledig verboden, maar werden gezien als een noodzakelijk kwaad dat met regelgeving in goede banen moest worden geleid. Zo werden prostituees sinds 1811 gedwongen om regelmatig medisch onderzoek te ondergaan, zodat ze geen geslachtsziektes zouden overbrengen op hun mannelijke klanten. In de tweede helft van de negentiende eeuw zie je dat religieus geïnspireerde groepen, zoals de zogenaamde ‘middernachtzendelingen’, bordeelbezoek probeerden tegen te gaan door ’s nachts de straat op te gaan en bij bordelen vrome liederen te gaan zingen. De bezoekers van bordelen vonden dat natuurlijk tamelijk onaangenaam. Daarnaast ontdekte een van mijn vroegere studenten in Amsterdam, João Vitalis, voor zijn bachelorscriptie allemaal fascinerende brieven van prostituees die zich bij het stadsbestuur beklaagden dat al die geluidoverlast slecht was voor hun handel – en daarin niet zelden door de politie en het stadsbestuur in het gelijk werden gesteld. Datzelfde gebeurde wanneer bij een bordeel op verzoek van klagende omwonenden extra straatverlichting werd geplaatst om klanten af te schrikken; ook dan konden prostituees soms met goed gevolg protesteren dat dit hun vrijheid van ondernemen in gevaar bracht.
Waarom heeft u speciaal voor Amsterdam gekozen? Vergelijkt u Amsterdam nog met andere grote steden zoals Parijs of Londen?
Na mijn boek Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijke cultuur in Den Haag, 1850-1890, dat uitkwam in 2012, wilde ik graag mijn aandacht verleggen naar een andere stad en Amsterdam kwam om verschillende redenen het meest in aanmerking. Amsterdam kende in de negentiende eeuw een enorm rijk aanbod aan culturele activiteiten; het Amsterdamse Stadsarchief bewaart daarvan een enorme rijkdom aan primaire bronnen; en toen ik nog in Amsterdam werkte en woonde lagen die bronnen ook nog eens comfortabel om de hoek. Ik heb toen met studenten vooral onderzoek gedaan naar de tweede helft van de negentiende eeuw, maar in de loop van de tijd ben ik de eerste eeuwhelft steeds interessanter gaan vinden – ook omdat daar nog zoveel minder over bekend is.
Ik bestudeer de ontwikkelingen in Amsterdam tot op zekere hoogte in vergelijking met andere steden. Ik geef bijvoorbeeld aan dat bepaalde patronen zich hier voordeden ‘net als in Parijs’ of ‘anders dan in Parijs’. Wat ik echter interessanter vind is om te onderzoeken hoe tijdgenoten destijds zelf die vergelijking met andere steden maakten en vooral: welke elementen uit de stedelijke cultuur van Parijs, Brussel, Londen, Wenen et cetera ze al dan niet in Amsterdam wilden overnemen en toe-eigenen, al dan niet in aangepaste vorm. Ik volg hierbij dus meer de benadering van ‘cultural transfer’ dan een klassiek vergelijkende benadering. Ik ben op dit moment een hoofdstuk aan het schrijven over de Franse en Duitse schouwburgen, waar onder leiding van Franse en Duitse theaterdirecteuren meermaals per week opera- en toneelvoorstellingen werden opgevoerd in de Franse en Duitse taal, uitgevoerd door Frans- en Duitstalige zangers en acteurs. Beide schouwburgen waren eind achttiende eeuw opgericht door leden van de Amsterdamse elite, die samen met hier werkzame Franse en Duitse kooplieden in hun culturele oriëntatie heel nadrukkelijk gericht waren op wat er in de omringende landen te zien, te horen, te beleven, te voelen was – en zich daarmee ook van de rest van de bevolking probeerden te onderscheiden. In beide schouwburgen vonden intussen ook concerten plaats van rondreizende Europese musici en begin jaren 1830 probeerden de eigenaars van de Duitse schouwburg extra inkomsten te genereren met de organisatie van gemaskerde bals naar het voorbeeld van de beroemde en beruchte bals in de Parijse opera. Met andere woorden: je kunt het culturele leven en uitgaansleven van Amsterdam in de negentiende eeuw eigenlijk niet anders zien dan in een Europese context, en met het oog op de vele koloniale inkomsten, ervaringen en fantasieën nog beter in een wereldwijd perspectief.
Vanaf wanneer is ‘de nacht’ eigenlijk een historisch onderwerp geworden? Heeft er binnen de historiografie ook een soort ‘nocturnal turn’ plaats gevonden?
Een van de mooiste studies die ik ken op dit gebied is het boek Les douze heures noires. La nuit à Paris au XIXème siècle van Simone Delattre, over de nacht in Parijs in de negentiende eeuw. Het boek komt uit 2000 en past binnen de traditie van de Franse mentaliteitsgeschiedenis. Dat blijkt alleen al uit het voorwoord van Alain Corbin, een van de meest invloedrijke Franse cultuurhistorici, die naam heeft gemaakt met studies over het verlangen naar de kust, de geschiedenis van geuren, het klanklandschap van het platteland, de geschiedenis van de stilte et cetera. Franse historici hebben een neus voor dit soort brede, tot de verbeelding sprekende, op het eerste gezicht ook wat ‘vage’ thema’s, waar ze een brede diversiteit aan concrete deelthema’s op een originele, vaak essayistische manier aan elkaar kunnen verbinden: een manier van materiaal verzamelen, doordenken en schrijven die anders is dan de meer gebruikelijke Angelsaksische of Duitse aanpak die draait om analytische vraagstellingen rond een vrij specifiek historisch fenomeen en als het even kan zo ‘compleet’ mogelijk systematisch bronnenonderzoek.
Als je alleen al naar de inhoudsopgave kijkt van Les douze heures noires, zie je bijna voor je hoe de auteur als het ware allemaal mapjes heeft verzameld met zeer uiteenlopende soorten bronnenmateriaal over heel uiteenlopende deelaspecten, hoe ze die vervolgens is gaan sorteren en middels collage-technieken, associatieve verbanden en speels gebruik van begrippen tot een betoog heeft gesmeed. Over de meeste afzonderlijke thema’s die zij de revue laat passeren – de geschiedenis van straatverlichting, vuilnisverwerking, nachtarbeid, politie, kroegen, bals, bordelen, literaire werken zoals de beroemde Les Mystères de Paris, noem maar op – was tot dan toe al flink wat historisch onderzoek verricht, maar zij verbindt die thema’s op een creatieve, nieuwe manier opnieuw aan elkaar. Je ziet deze werkwijze vanaf de jaren zeventig in de Franse cultuurgeschiedenis stapsgewijs doorbreken, maar je ziet deze aanpak eigenlijk ook al terug in de invloedrijke studie van Wolfgang Schivelbusch, Lichtblicke uit 1983.
Zijn er binnen de historiografie rond het thema ‘nacht’ nog onderwerpen die internationaal onderbelicht zijn gebleven?
Wat in de Europese historiografie over stedelijke nachten eigenlijk nog niet zoveel aandacht heeft gekregen is de grote impact van seizoenen. Dat is eigenlijk heel opvallend, want in Europa zijn de nachten, in de zin van de ‘donkere uren’, in de winter natuurlijk aanzienlijk langer en gemiddeld ook aanzienlijk kouder dan in de zomer. Het is zo evident, dat je er makkelijk overheen denkt, maar het is wel de moeite waard om er af en toe bij stil te staan en je te realiseren: in de winter waren de nachten in de stad voor veel stadsbewoners dus extra gevaarlijk, vanwege het vroege invallen van de duisternis, de ijsgladde of met zompige sneeuw bedekte straten, de vast ook wat matiger functionerende lantaarnopstekers die bibberden van de kou, onderkoelingsgevaar bij dronkenschap en ga zo maar door. In het winter- en zomerseizoen richtte het uithuizige vermaak zich in Amsterdam ook duidelijk op verschillende soorten activiteiten, hoofdzakelijk binnen of juist buiten de stad, in binnen- of juist in buitenruimtes.
Ze trekken daarbij ook een verschillend samengesteld publiek – in de zomermaanden vaak ook sociaal heterogener dan in de winter, hoewel een deel van de elite in de zomermaanden juist op hun buitenverblijven verblijft. De samenleving zoals stadsbewoners die op al die plaatsen van vertier samen vormgeven en beleven functioneerde in verschillende seizoenen anders, en dat gold zeker ook voor de late avond en de nacht. De bals die de Amsterdamse elite in de wintermaanden organiseerden droegen primair het karakter van een huwelijksmarkt, vol stijve conversaties en rituele plichtplegingen; zoiets zou in de zomermaanden echt niet passen. De zomerbals die in de zomer in de tuinen van herbergen buiten de stadswallen werden georganiseerd, aangekleed met vuurwerk, droegen een veel ontspannener karakter en konden doorgaan tot het licht werd: een heel andere, gemoedelijke ervaring. De ene nacht is de andere niet: dat geldt ook voor het ritme van de dagen in de week, evenals voor de grote impact die de maancyclus met nieuwe, wassende, volle en afnemende maan had op de vrijheid en de gevaren, op de emoties en gedachten die stadsbewoners tijdens de nachten in het verleden hadden. Door een beetje meer aandacht te besteden aan al die natuurlijke en temporele cycli kom je als historicus denk ik nog een stukje dichterbij de manier waarop stedelingen hun dagelijks leven en leefwereld in het verleden ervoeren en vormgaven.

