Nieuwsgier Jacob Campo Weyerman (1677-1747), leven en werk (Boom 2024) van Peter Altena
Door Tom Ottens
Time to read:
In zijn biografie Nieuwsgier belicht de neerlandicus Peter Altena een van de meest vermakelijke en ongrijpbare personen uit achttiende eeuw: de schilder en schrijver Jacob Campo Weyerman (1677-1747). Sinds de hernieuwde interesse in Weyermans werk na de Tweede Wereldoorlog en de oprichting van Stichting Jacob Campo Weyerman in 1977 zijn veel aspecten uit het leven van Weyerman onderzocht door historici en letterkundigen. Zo is er onderzoek gedaan naar zijn tijd als schilder en kunsthandelaar, zijn vele mercuren (weekbladen) en zijn rol als auteur van lijvige boeken, zoals het antipapistische ‘De historie des pausdoms’. Toch ontbrak het aan een biografie waarin het volledige leven van Jacob Campo Weyerman wordt beschreven en van context wordt voorzien. Met Nieuwsgier vult Altena dit gat.
In Nieuwsgier kiest Altena voor een chronologische opbouw. De biografie bestaat uit twee delen. Waar het eerste deel zich toelegt op Weyermans jeugd en schilderjaren, verschuift het zwaartepunt in het tweede deel naar Weyermans schrijverschap. In het eerste deel beschrijft Altena helder hoe Weyerman zich ontwikkelde van student tot schilder. Naast zijn activiteiten als schilder schreef Weyerman in deze jaren ook een klein aantal kluchten én was hij actief als kunsthandelaar. Ondanks al deze bezigheden laat Weyerman in deze periode weinig sporen achter in de archieven. De meeste informatie over dit deel van Weyermans leven is hierdoor afkomstig uit de teksten die Weyerman en anderen later schreven. Dit brengt direct een methodologisch probleem naar voren. Omdat zowel Weyerman als zijn vijanden het vaak niet zo nauw nemen met de waarheid, is het moeilijk de ‘echte’ Weyerman scherp te krijgen. Waar Weyerman zichzelf afschildert als een sluwe vos die anderen vaak te slim af is, schrijven zijn critici vaak over een onverbeterlijke lasteraar. Altena toont aan hoe voornamelijk de onbetrouwbare (en populaire) biografie die Franciscus Lievens Kersteman negen jaar na Weyermans dood schreef, lang de beeldvorming over Weyerman bepaalde. Altena weet vakkundig te balanceren tussen Weyermans en Kerstemans tegenstrijdige versies van de waarheid door beide bronnen kritisch te beschouwen en, waar mogelijk, te toetsen aan de hand van ander archiefmateriaal.
Het tweede deel van Weyermans leven is veel beter gedocumenteerd. Het begint in 1720 wanneer de drieënveertigjarige Weyerman besluit zijn leven volledig aan het schrijverschap te wijden. Het is dit deel van Nieuwsgier waarin Altena de achttiende eeuw en Weyerman echt tot leven weet te brengen. Door veelvuldig te citeren uit de verhalen in Weyermans weekbladen die zich afspelen in de trekvaart, de kroeg of het koffiehuis, krijgt de lezer een goed beeld van de cultuur in deze periode.
De overgang tussen het eerste en het tweede deel is echter enigszins abrupt. Dit heeft veel te maken met de keuze voor een chronologische in plaats van een thematische insteek. Omdat Weyerman op drieënveertigjarige leeftijd rigoureus breekt met zijn vroegere leven, ontstaat in de Nieuwsgier een
vergelijkbare tweedeling. Een thematische benadering had mogelijk de schilder Weyerman beter kunnen verbinden met de auteur Weyerman. Dit betekent echter niet dat in het boek thematische elementen helemaal ontbreken.
In zijn inleiding noemt Altena een aantal ‘leidmotieven’ die in de Nieuwsgier
veelvuldig zullen terugkomen, zoals ‘Weyermans verhouding tot fysieke en
morele grenzen’ en ‘zijn ontrouw en verraad’. Toch zijn dit thema’s die voornamelijk in het tweede deel aan de orde komen. In dit deel legt Altena een
zeer grote nadruk op de vele conflicten waarin Weyerman verzeild raakt. In
zijn weekblad, De Rotterdamsche Hermes, zocht Weyerman bijvoorbeeld veelvuldig ruzie met het concurrerende weekblad, De Amsterdamsche Argus. Altena laat zien hoe Weyerman er geen genoegen mee nam om zijn concurrent enkel met woorden te bestoken. Weyerman besloot in het vignet van zijn weekblad het mythologische verhaal van Hermes en Argus te verbeelden. In dit verhaal wordt een slapende Argus door Hermes onthoofd: een duidelijke verwijzing naar de strijd tussen de twee weekbladen. Door deze snelle opeenvolging van ruzies en conflicten krijgt het boek op den duur een enigszins repetitief karakter. Het zorgt er daarnaast voor dat bepaalde thema’s onderbelicht blijven.
Een belangrijk thema waar Altena meer aandacht aan had kunnen besteden is de relatie tussen Weyermans werk en de Verlichting. In zijn autobiografie liet Weyerman zich inspireren door het werk De Betoverde Wereld van de predikant Balthasar Bekker. Dit boek, waarin Bekker ageert tegen alle vormen
van bijgeloof, wordt gezien als een belangrijke bijdrage aan de ontluikende Verlichting in de Republiek. Weyerman gebruikt Bekkers werk om een verhaal te vertellen waarin hij als ‘Bekkeriaan’ een dominee bespot die vreest dat er een spook in een nabijgelegen watertoren huist. Dit verhaal roept interessante vragen op over Weyermans verhouding tot Verlichte ideeën. Alhoewel Altena later in de tekst terugkomt op Weyermans relatie tot de Verlichting, blijft Bekkers invloed helaas achterwege. Een grondige analyse van Weyermans relatie tot de Verlichting had zeker niet misstaan in deze biografie. Het zou daarnaast goed aansluiten bij recent verschenen werken waarin achttiende-eeuwse schrijvers en hun relatie tot de Verlichting centraal staan, zoals Verlichte verhalen. De omgang met het verleden in de Nederlandse Verlichting (2023) van Eleá de la Porte.
Nieuwsgier geeft een duidelijk overzicht van Weyermans leven. Het
is daarnaast een goed startpunt voor het uitdiepen van bestaande historische
vragen. Een belangrijke historische vraag is bijvoorbeeld hoe nieuws in de achttiende eeuw werd gelezen en ervaren. In zijn werk gaat Weyerman vaak in op de manier waarop het nieuws tot hem kwam en hoe hij daarop reageerde. Zo verhaalt hij in het oorsprongsverhaal van zijn eerste weekblad hoe hij, na het lezen van De Amsterdamsche Argus in een koffiehuis, besloot een concurrerend weekblad te beginnen. Weyermans teksten zouden dus een interessante invalshoek kunnen zijn voor historisch onderzoek naar vroegmoderne lezers.

